Column: Nieuwe kans voor Pahlavi?
18/01/2026
Deze column komt uit Weekend editie 3.
Persepolis, oktober 1971. In de woestijn is een stad verrezen. Tenten van zijde als paleizen, tafels gedekt met porselein uit Limoges, kristal uit Baccarat, koks ingevlogen uit Parijs. Staatshoofden uit de hele wereld schrijden tussen zuilen die herinneren aan een beschaving die zijn 2.500ste verjaardag viert. Het Iraanse keizerrijk doet dat groots, esthetisch, tot in detail geregisseerd.
En daar, in het midden van dat zorgvuldig gecomponeerde toneel, staat Farah Diba. Jong en stralend, keizerin van een land dat zich aan de wereld wil tonen als modern, cultureel en toekomstgericht. De wereld kreeg een beeld van een land dat traditie én vooruitgang in één beweging kon omarmen. De elegante, westers opgeleide Farah Diba belichaamde dat ideaal als gastvrouw. Ze sprak over musea, over onderwijs voor meisjes, over kunst als levensader van een beschaving.
De parallel tussen Iran en Farah: een gouden toekomst in het verschiet, maar ze raakten alles kwijt. De revolutie van 1979 maakte in één klap een einde aan het keizerrijk. De sjah ging met Farah en hun kinderen in ballingschap. ’Ik zal de tranen in de ogen van de sjah nooit vergeten op de dag dat we Iran verlieten. Op die verlaten landingsbaan en in het vliegtuig was mijn enige gedachte of het de laatste keer was of dat we ooit zouden terugkeren.’
Een lange, ontheemde nasleep volgde. De verbannen sjah overleed na ziekte in Caïro. Voor Farah Diba werd de ballingschap niet alleen politiek, maar ook persoonlijk. Twee van haar vier kinderen verloor ze door zelfmoord. Leila, het gezicht van modehuizen, te kwetsbaar voor de last van een naam die groter was dan zijzelf. En Ali-Reza, de zoon die de geschiedenis bestudeerde die hem had verdreven, maar daar in zijn hoofd geen vrede mee kon krijgen. Wie Farah ooit hoorde spreken over haar kinderen weet: dit is geen keizerin, dit is een moeder.
Het Iran van vandaag de dag is niet te vergelijken met het land dat ze bijna vijftig jaar geleden verliet. Alsof het weer een eeuw terug in de tijd is gegaan, zeker als het om de rechten van vrouwen gaat. ’Ik hoop dat de dingen zullen veranderen, want het is jammer dat een land als Iran niet is waar het zou moeten zijn of waar het historisch is geweest’, zei Farah eens.
De tijd van verandering lijkt nu voor de deur te staan. Bijna een halve eeuw na Persepolis brandt Iran opnieuw op onze schermen. Niet in feestverlichting, maar in de gloed van brandende vlaggen en straatprotesten. De afgelopen maanden zijn opnieuw grote demonstraties uitgebroken. Jongeren die de straat opgaan tegen economische uitzichtloosheid, tegen repressie, tegen een systeem dat hen geen ademruimte laat. De overheid reageert met hard optreden, met afsluitingen van internet en communicatie, met pogingen om het land letterlijk en figuurlijk stil te leggen.
Het zijn beelden die pijnlijk contrasteren met het Iran dat Farah ooit vertegenwoordigde: een land dat zich wilde openen, niet opsluiten. In die onrust duikt steeds vaker een naam op die decennialang alleen in ballingschap werd uitgesproken. ’Dit is de laatste strijd, Pahlavi keert terug.’ Reza Pahlavi. De kroonprins zonder kroon. Hij positioneert zich niet als sjah-in-wachtkamer, maar als iemand die zegt: ’Laat het Iraanse volk straks zelf beslissen over de staatsvorm. Monarchie of republiek, eerst vrijheid, eerst keuze.’
Misschien zal Farah (87) nooit meer terugkeren naar haar land. Misschien zal Reza nooit een paleispoort doorlopen als staatshoofd. Maar dat hun namen nu weer klinken, in een Iran dat op straat zijn stem zoekt, zegt iets. Over heimwee. Over woede. Over hoop. En over een volk dat, in de donkerste uren, toch teruggrijpt naar het idee dat het ooit anders was – en dus misschien ooit weer anders kan worden.
Bestel je Weekend met meer royaltynieuws hier en lees hier meer columns van Rick Evers.
FOTO: GETTY IMAGES/GAMMA-RAPHO
Uit andere media